mambapoint

Wereldmediahuis

Journalistiek over de rest van de wereld: Het wereldmediahuis bericht over globalisering en ontwikkelingslanden en verbindt verschillende onafhankelijke journalistieke redacties tot een crossmediaal geheel. Lees meer over het Wereldmediahuis.

Nieuws

  • ‘Verantwoordelijkheid Europees Parlement om Europese Commissie te controleren tijdens Rio+20′ 20 May 2012 | 2:10 pm Vice Versa

    IPS — De Europese Commissie is voorstander van een grotere rol voor bedrijven op de VN-duurzaamheidstop Rio+20. Dat zegt de onderzoeksgroep Corporate Europe Observatory (CEO). Die vindt het dan ook jammer dat het Europees Parlement geen delegatie naar Rio stuurt.

    Het Europees Parlement besliste geen delegatie te sturen naar Rio+20 omdat de hotelkosten in Rio de Janeiro enorm gestegen zijn naar aanleiding van de top. Een flauw excuus, vindt het Corporate Europe Observatory, een onderzoeks- en campagnegroep die de invloed van lobby’s in de EU nagaat.

    ‘Eenvoudigweg betreurenswaardig’, zegt Belén Balanya, expert internationaal milieubeleid van CEO. Rio+20 ‘is het eindpunt van een proces dat al maanden aan de gang is, en het zou de verantwoordelijkheid van het Europees Parlement moeten zijn om te controleren en garanderen dat de Europese Commissie een adequate rol speelt in de onderhandelingen.’

    Privatisering

    Balanya wijst erop dat de Europese Commissie voorstander is van ‘een grotere rol van de bedrijven op Rio+20 en in processen die met de Verenigde Naties te maken hebben.’ Dat beleid ‘zal leiden tot een nog grotere privatisering van de natuur, die alleen een zeer kleine minderheid ten goede komt, en zal geen verandering proberen te brengen in het huidige consumptie- en productiemodel. Het zal de milieucrisis dus niet helpen oplossen.’

    Rio+20 wordt van 20 tot 22 juni gehouden in Rio de Janeiro en komt na een aantal recente milieu- en ontwikkelingstoppen die weinig resultaat opleverden. Twintig jaar geleden werd in Rio de Janeiro de eerste Top van de Aarde gehouden.

    Ook andere delegaties hadden felle kritiek op de stijging van de hotelprijzen in Rio. De Braziliaanse regering heeft deze week aangekondigd dat ze maatregelen neemt om de hotelprijzen te verlagen.

    Vanuit Nederland zullen de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking Ben Knapen en staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu Joop Atsma aanwezig zijn op de top, vergezeld door een ambtelijke delegatie en de premiers van Aruba en Sint Maarten.

  • ‘Verantwoordelijkheid Europees Parlement om Europese Commissie te controleren tijdens Rio+20′ 20 May 2012 | 2:10 pm Lokaalmondiaal

    IPS — De Europese Commissie is voorstander van een grotere rol voor bedrijven op de VN-duurzaamheidstop Rio+20. Dat zegt de onderzoeksgroep Corporate Europe Observatory (CEO). Die vindt het dan ook jammer dat het Europees Parlement geen delegatie naar Rio stuurt.

    Het Europees Parlement besliste geen delegatie te sturen naar Rio+20 omdat de hotelkosten in Rio de Janeiro enorm gestegen zijn naar aanleiding van de top. Een flauw excuus, vindt het Corporate Europe Observatory, een onderzoeks- en campagnegroep die de invloed van lobby’s in de EU nagaat.

    ‘Eenvoudigweg betreurenswaardig’, zegt Belén Balanya, expert internationaal milieubeleid van CEO. Rio+20 ‘is het eindpunt van een proces dat al maanden aan de gang is, en het zou de verantwoordelijkheid van het Europees Parlement moeten zijn om te controleren en garanderen dat de Europese Commissie een adequate rol speelt in de onderhandelingen.’

    Privatisering

    Balanya wijst erop dat de Europese Commissie voorstander is van ‘een grotere rol van de bedrijven op Rio+20 en in processen die met de Verenigde Naties te maken hebben.’ Dat beleid ‘zal leiden tot een nog grotere privatisering van de natuur, die alleen een zeer kleine minderheid ten goede komt, en zal geen verandering proberen te brengen in het huidige consumptie- en productiemodel. Het zal de milieucrisis dus niet helpen oplossen.’

    Rio+20 wordt van 20 tot 22 juni gehouden in Rio de Janeiro en komt na een aantal recente milieu- en ontwikkelingstoppen die weinig resultaat opleverden. Twintig jaar geleden werd in Rio de Janeiro de eerste Top van de Aarde gehouden.

    Ook andere delegaties hadden felle kritiek op de stijging van de hotelprijzen in Rio. De Braziliaanse regering heeft deze week aangekondigd dat ze maatregelen neemt om de hotelprijzen te verlagen.

    Vanuit Nederland zullen de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking Ben Knapen en staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu Joop Atsma aanwezig zijn op de top, vergezeld door een ambtelijke delegatie en de premiers van Aruba en Sint Maarten.

  • Sanne Vroom langs de Simon Jelsma meetlat 18 May 2012 | 2:59 pm Lokaalmondiaal

    Op 24 mei reikt Oxfam Novib voor de allereerste keer de Simon Jelsma Award uit. Het publiek heeft uit de acht potentiële prijswinnaars er vier gekozen voor de laatste ronde. Om de jury te helpen in haar moeilijke taak de winnaar te bepalen, legt Vice Versa iedere dag één van de vier kandidaten langs de Simon Jelsma meetlat. Vandaag de beurt aan Sanne Vroom, oprichtster van Timu Kota.

    De Simon Jelsma Award is een aanmoedigingsprijs uitgereikt door Oxfam Novib aan jong Nederlands talent, die zich net als Simon Jelsma inzetten voor ‘een rechtvaardigere verdeling van macht en welvaart; wereldwijd’. De gelukkige winnaar mag zich prijzen met 3000 euro, een welverdiende dosis aan respect en eer en toetreding tot de jury van de 2de award uitreiking.

    Simon Jelsma (1918-2011), door Hans Beerends omschreven als de founding father van de derdewereldbeweging, streed zijn leven lang tegen mondiale onrecht en armoede. Hij was de oprichter van Oxfam Novib en de Nationale Postcode Loterij. Om samen de wereld een betere plek te maken, zou volgens Simon Jelsma een ieder trouw moeten blijven aan vijf woorden met de hoofdletter D: Dromen, Durven, Denken, Doen en Doorzetten.

    Een ladder bestaande uit 5 D’s. Hoe omschrijven de vier kandidaten van de award zichzelf langs deze Simon Jelsma ladder? Vice Versa ging op onderzoek uit en sprak voor de eerste aflevering met  Sanne Vroom.

    De teamdroom van Sanne Vroom

    Sanne Vroom is de oprichtster van Timu Kota, Swahili voor teamdroom. De stichting heeft als doel de dromen van jongeren op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en millenniumdoelen samen te realiseren. Ook beoogt Timu Kota de millenniumdoelen toegankelijk te maken voor de Nederlander. Dit doen zij aan de hand van colleges, theater, workshops en hun reisprogramma, genaamd Millennium Travels. Met dit reisprogramma, waarin Nederlandse jongeren reizen naar ontwikkelingslanden, krijgen jongeren uit verschillende plekken van de wereld de kans elkaar te ontmoeten en wederzijds van elkaar te leren.

    In hoeverre zou je jezelf omschrijven als een Dromer?

    ‘Ik ben een ontzettende dromer. Ik droom niet voor mezelf, maar vaak voor grotere plannen of projecten. Ik kan mijn dromen niet bij dromen laten. Ik word onrustig als ik er niet mee aan de slag kan. Hoe groter de droom, hoe enger het is. Maar ik word er wel relaxter van als ik met mijn dromen aan de gang kan. Mijn werk betekent ook met jongeren zitten en praten over wat hun dromen zijn voor de wereld en samen kijken hoe we die praktisch kunnen vertalen naar activiteiten om bij te dragen. Ik ben dus heel veel met dromen bezig. Ik ga het liefst aan de gang met dromen van anderen, zodat zoveel mogelijk mensen hun dromen kunnen realiseren.’

    Op de vraag wat haar grootste droom is, moet Sanne even lachen: ‘Die vraag krijg ik maar zelden.’ Maar op een serieuze en vastberaden toon vervolgt zij: ‘Mijn allergrootste droom is wereldvrede. Zo naïef ben ik niet. Ik denk dat het écht kan. Ik geloof erin dat het kan. Ik geloof dat het werk wat jongeren verzetten het mogelijk kan maken en dat de millenniumdoelen de vertaalslag zijn naar wereldvrede.’

    In hoeverre zou je jezelf omschrijven als een Denker?

    Hier moet Sanne kort over nadenken. De kernwoorden van de Timu Kota lijfspreuk – dromen, durven en doen – zijn volgens Sanne een stuk makkelijker te beantwoorden. ‘Ik denk en ik pieker veel. Ik denk graag na over wat we willen en wat we dromen en of dat ook bijdraagt. Dat is één van mijn hoofdgedachtes. Waarom mensen doen wat ze doen. Waarom mensen het werk doen wat ze doen. Waarom mensen niet ander werk gaan doen als ze dat leuker vinden. Dus kortom waarom mensen minder durven. Daar denk ik heel veel over na. Bij mijn stichting Timu Kota kun je een project aanmelden. Daar denken we heel lang en goed over na met de jongere zelf: Hé, draag je nou bij aan de wereld of draag je bij aan een ego? Is dit voor een groter goed? En los van de impact, waar gaat het nou om?’

    Bijdragen aan iets groters is voor Sanne belangrijk. ‘Dat is het doel van mijn stichting. Jongeren helpen die iets willen doen. Soms weten ze wat. Soms weten ze niet wat. In dat laatste geval gaan we samen rond de tafel zitten en dan komen we vaak wel tot een project.’

    In hoeverre zou jezelf omschrijven als een Durver?

    ‘Ik denk dat ik wel lef heb in mijn werk. We durven het te doen, zonder dat we directe middelen hebben als stichting. We werken puur vanuit het netwerk. Vraag maar aan iedereen die je kent of ze bij willen dragen.

    Daarnaast kunnen we een projectplan schrijven en fondsen aanvragen, maar wij stimuleren onze jongeren om vooral eerst gewoon te beginnen en niet te snel terug te gaan naar denken. Natuurlijk is goed nadenken van belang, maar overdenk het niet. Want alle barrières die je kunt bedenken zijn al een keer bedacht. Het is belangrijk om gewoon te beginnen en er voor te gaan. Stel je voor dat het een keer lukt – want alles moet een keer lukken denk ik altijd – dan is dat heel gaaf. En stel je voor dat het niet lukt, dan gaan we een biertje doen. Dan hebben we nog steeds iets geleerd en dan gaan we heel hard om lachen om hetgeen we geleerd hebben. Dus in die zin denk ik dat we veel meer zouden moeten durven.

    Ook de gevestigde orde in ontwikkelingssamenwerking zou veel meer out-of-the-box moeten handelen: Huppakee, treedt op en ga die dromen achterna. Men moet zichzelf niet beklemmen door het te groot maken van wereldproblemen. Ik denk dat wij dat als stichting ook durven. Wij durven problemen kleiner te maken. Als iedereen nou samen de problemen kleiner maakt en respect creëert voor elkaar – waarvan ik denk dat de millenniumdoelen de grondslag zijn – dan is het durven niet zo moeilijk meer. Immers, als men de ander eten gunt, dan helpt men de ander ook om dat te krijgen. De kleine stappen moeten het gaan doen.’

    In hoeverre zou je jezelf omschrijven als een Doener?

    ‘Als stichting Timu Kota zijn wij praktisch aangelegd. Wij zijn hands-on en wij houden van doorpakken. Wij gaan geen problemen uit de weg, maar gaan er juist vol op in. In die zin doen wij wat we kunnen. Hopelijk draagt dat bij, een balans die we opmaken aan het einde van de rit.’

    In hoeverre zou je jezelf omschrijven als een Doorzetter?

    Sanne moet lachen. ‘Interessante vraag om over jezelf te beantwoorden’. En ze vraagt lachend of ik het niet aan een collega kan vragen. Maar nog geen seconde later antwoord zij: ‘Doorzetten betekent voor mij dat men niet stopt zodra het moeilijk wordt. Doorzetten betekent dat men zich ergens in vastbijt en dat men kijkt naar wat de alternatieven zijn. Dat men hulp durft te vragen als het niet alleen lukt. Ook dat is de basis van ons werk. Zo hebben wij een reisprogramma opgezet en organiseren wij zo nu en dan reizen, die erg veel impact hebben.

    Echter, op een gegeven moment dan is het doorzetten. Ga maar eens als stichting zonder eigen vermogen en zonder eigen spullen een Subsidiefaciliteit voor Burgerschap en Ontwikkeling (SBOS) aanvraag schrijven. Dat is ploeteren. Dat is het hele eigen netwerk erin gooien. Maar dan krijgt onze stichting Timu Kota het. Met nieuwe middelen op zak, betekent het echter nog meer doorzetten, want dan moet de stichting het waar gaan maken. Dat is doorzetten. Dat is fantastisch.’

  • Sanne Vroom langs de Simon Jelsma meetlat 18 May 2012 | 2:59 pm Vice Versa

    Op 24 mei reikt Oxfam Novib voor de allereerste keer de Simon Jelsma Award uit. Het publiek heeft uit de acht potentiële prijswinnaars er vier gekozen voor de laatste ronde. Om de jury te helpen in haar moeilijke taak de winnaar te bepalen, legt Vice Versa iedere dag één van de vier kandidaten langs de Simon Jelsma meetlat. Vandaag de beurt aan Sanne Vroom, oprichtster van Timu Kota.

    De Simon Jelsma Award is een aanmoedigingsprijs uitgereikt door Oxfam Novib aan jong Nederlands talent, die zich net als Simon Jelsma inzetten voor ‘een rechtvaardigere verdeling van macht en welvaart; wereldwijd’. De gelukkige winnaar mag zich prijzen met 3000 euro, een welverdiende dosis aan respect en eer en toetreding tot de jury van de 2de award uitreiking.

    Simon Jelsma (1918-2011), door Hans Beerends omschreven als de founding father van de derdewereldbeweging, streed zijn leven lang tegen mondiale onrecht en armoede. Hij was de oprichter van Oxfam Novib en de Nationale Postcode Loterij. Om samen de wereld een betere plek te maken, zou volgens Simon Jelsma een ieder trouw moeten blijven aan vijf woorden met de hoofdletter D: Dromen, Durven, Denken, Doen en Doorzetten.

    Een ladder bestaande uit 5 D’s. Hoe omschrijven de vier kandidaten van de award zichzelf langs deze Simon Jelsma ladder? Vice Versa ging op onderzoek uit en sprak voor de eerste aflevering met  Sanne Vroom.

    De teamdroom van Sanne Vroom

    Sanne Vroom is de oprichtster van Timu Kota, Swahili voor teamdroom. De stichting heeft als doel de dromen van jongeren op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en millenniumdoelen samen te realiseren. Ook beoogt Timu Kota de millenniumdoelen toegankelijk te maken voor de Nederlander. Dit doen zij aan de hand van colleges, theater, workshops en hun reisprogramma, genaamd Millennium Travels. Met dit reisprogramma, waarin Nederlandse jongeren reizen naar ontwikkelingslanden, krijgen jongeren uit verschillende plekken van de wereld de kans elkaar te ontmoeten en wederzijds van elkaar te leren.

    In hoeverre zou je jezelf omschrijven als een Dromer?

    ‘Ik ben een ontzettende dromer. Ik droom niet voor mezelf, maar vaak voor grotere plannen of projecten. Ik kan mijn dromen niet bij dromen laten. Ik word onrustig als ik er niet mee aan de slag kan. Hoe groter de droom, hoe enger het is. Maar ik word er wel relaxter van als ik met mijn dromen aan de gang kan. Mijn werk betekent ook met jongeren zitten en praten over wat hun dromen zijn voor de wereld en samen kijken hoe we die praktisch kunnen vertalen naar activiteiten om bij te dragen. Ik ben dus heel veel met dromen bezig. Ik ga het liefst aan de gang met dromen van anderen, zodat zoveel mogelijk mensen hun dromen kunnen realiseren.’

    Op de vraag wat haar grootste droom is, moet Sanne even lachen: ‘Die vraag krijg ik maar zelden.’ Maar op een serieuze en vastberaden toon vervolgt zij: ‘Mijn allergrootste droom is wereldvrede. Zo naïef ben ik niet. Ik denk dat het écht kan. Ik geloof erin dat het kan. Ik geloof dat het werk wat jongeren verzetten het mogelijk kan maken en dat de millenniumdoelen de vertaalslag zijn naar wereldvrede.’

    In hoeverre zou je jezelf omschrijven als een Denker?

    Hier moet Sanne kort over nadenken. De kernwoorden van de Timu Kota lijfspreuk – dromen, durven en doen – zijn volgens Sanne een stuk makkelijker te beantwoorden. ‘Ik denk en ik pieker veel. Ik denk graag na over wat we willen en wat we dromen en of dat ook bijdraagt. Dat is één van mijn hoofdgedachtes. Waarom mensen doen wat ze doen. Waarom mensen het werk doen wat ze doen. Waarom mensen niet ander werk gaan doen als ze dat leuker vinden. Dus kortom waarom mensen minder durven. Daar denk ik heel veel over na. Bij mijn stichting Timu Kota kun je een project aanmelden. Daar denken we heel lang en goed over na met de jongere zelf: Hé, draag je nou bij aan de wereld of draag je bij aan een ego? Is dit voor een groter goed? En los van de impact, waar gaat het nou om?’

    Bijdragen aan iets groters is voor Sanne belangrijk. ‘Dat is het doel van mijn stichting. Jongeren helpen die iets willen doen. Soms weten ze wat. Soms weten ze niet wat. In dat laatste geval gaan we samen rond de tafel zitten en dan komen we vaak wel tot een project.’

    In hoeverre zou jezelf omschrijven als een Durver?

    ‘Ik denk dat ik wel lef heb in mijn werk. We durven het te doen, zonder dat we directe middelen hebben als stichting. We werken puur vanuit het netwerk. Vraag maar aan iedereen die je kent of ze bij willen dragen.

    Daarnaast kunnen we een projectplan schrijven en fondsen aanvragen, maar wij stimuleren onze jongeren om vooral eerst gewoon te beginnen en niet te snel terug te gaan naar denken. Natuurlijk is goed nadenken van belang, maar overdenk het niet. Want alle barrières die je kunt bedenken zijn al een keer bedacht. Het is belangrijk om gewoon te beginnen en er voor te gaan. Stel je voor dat het een keer lukt – want alles moet een keer lukken denk ik altijd – dan is dat heel gaaf. En stel je voor dat het niet lukt, dan gaan we een biertje doen. Dan hebben we nog steeds iets geleerd en dan gaan we heel hard om lachen om hetgeen we geleerd hebben. Dus in die zin denk ik dat we veel meer zouden moeten durven.

    Ook de gevestigde orde in ontwikkelingssamenwerking zou veel meer out-of-the-box moeten handelen: Huppakee, treedt op en ga die dromen achterna. Men moet zichzelf niet beklemmen door het te groot maken van wereldproblemen. Ik denk dat wij dat als stichting ook durven. Wij durven problemen kleiner te maken. Als iedereen nou samen de problemen kleiner maakt en respect creëert voor elkaar – waarvan ik denk dat de millenniumdoelen de grondslag zijn – dan is het durven niet zo moeilijk meer. Immers, als men de ander eten gunt, dan helpt men de ander ook om dat te krijgen. De kleine stappen moeten het gaan doen.’

    In hoeverre zou je jezelf omschrijven als een Doener?

    ‘Als stichting Timu Kota zijn wij praktisch aangelegd. Wij zijn hands-on en wij houden van doorpakken. Wij gaan geen problemen uit de weg, maar gaan er juist vol op in. In die zin doen wij wat we kunnen. Hopelijk draagt dat bij, een balans die we opmaken aan het einde van de rit.’

    In hoeverre zou je jezelf omschrijven als een Doorzetter?

    Sanne moet lachen. ‘Interessante vraag om over jezelf te beantwoorden’. En ze vraagt lachend of ik het niet aan een collega kan vragen. Maar nog geen seconde later antwoord zij: ‘Doorzetten betekent voor mij dat men niet stopt zodra het moeilijk wordt. Doorzetten betekent dat men zich ergens in vastbijt en dat men kijkt naar wat de alternatieven zijn. Dat men hulp durft te vragen als het niet alleen lukt. Ook dat is de basis van ons werk. Zo hebben wij een reisprogramma opgezet en organiseren wij zo nu en dan reizen, die erg veel impact hebben.

    Echter, op een gegeven moment dan is het doorzetten. Ga maar eens als stichting zonder eigen vermogen en zonder eigen spullen een Subsidiefaciliteit voor Burgerschap en Ontwikkeling (SBOS) aanvraag schrijven. Dat is ploeteren. Dat is het hele eigen netwerk erin gooien. Maar dan krijgt onze stichting Timu Kota het. Met nieuwe middelen op zak, betekent het echter nog meer doorzetten, want dan moet de stichting het waar gaan maken. Dat is doorzetten. Dat is fantastisch.’

  • Bedrijven en ngo’s: ‘Niet meer elkaars concurrent, maar elkaars opvolger’ 18 May 2012 | 6:00 am Vice Versa

    Op 15 mei vond de eerste lustrumconferentie van Students in Free Enterprise (SIFE) Universiteit Leiden plaats, een stichting die duurzaam ondernemerschap vanuit eigen initiatief stimuleert en kennis overdraagt, met projecten in Bolivia, Madagaskar en Nederland. Rondom het thema van de dag, ‘sociaal ondernemerschap’, ontvlamden twee levendige debatrondes tussen het bedrijfsleven, het maatschappelijk middenveld, de politiek en de wetenschap.

    In de huidige tijd van economische crisis en bezuinigingen is er in toenemende mate discussie over het budget voor ontwikkelingssamenwerking. Terwijl het maatschappelijk middenveld steeds meer onder druk staat, wint de rol van de private sector in ontwikkelingssamenwerking aan populariteit.

    Sociaal ondernemen is daarbij een belangrijke nieuwe trend in de ontwikkelingssector. Met sociaal ondernemen wordt er een maatschappelijk doel  nagestreefd, maar met een bedrijfsmatige aanpak. Het duurzame en maatschappelijke doel is de drijfveer, maar financieel gewin is noodzakelijk om voort te blijven bestaan. Nu overheidssubsidies meer en meer lijken af te nemen, is dit een creatief en innovatief alternatief. Maar hoe zijn de verstandhoudingen tussen ngo’s en bedrijven en welke rol is hierin weggelegd voor de politiek en de wetenschap?

    Samenwerken of concurreren?

    De stelling die als meest interessant werd bestempeld kwam naar voren in de tweede debatronde. Dagvoorzitter Ton Dietz, hoogleraar Ontwikkeling Afrika en directeur van het Afrika Studiecentrum Leiden, vroeg de panelleden naar hun mening omtrent de relatie – samenwerking versus concurrentie – tussen ngo’s en bedrijven op het gebied van sociaal ondernemerschap. Een prikkelende stelling die werd bediscussieerd door de panelleden Ingrid de Caluwé van de VVD, Carol Gribnau van Hivos, Sabine Luning van de Universiteit Leiden, Yannick Du Pont van SPARK en Ron Jansen van Ebbinge & Company.

    Ondanks de gedeelde gedachte dat ngo’s en bedrijven een andere taal spreken, stonden de meningen haaks tegenover elkaar. Terwijl Ron Jansen en Carol Gribnau de toenemende positieve samenwerking tussen het maatschappelijk middenveld en het bedrijfsleven benadrukten, wezen Ingrid de Caluwé en Yannick du Pont op het blijvende wantrouwen. Al zou du Pont de relatie geen concurrentie willen noemen, maar eerder ‘een dubbele monoloog’.

    ‘Durf elkaar op te zoeken’

    Aan de ene kant van de scheidslijn beargumenteerde Carol Gribnau haar standpunt aan de hand van haar ervaring bij Hivos, die succesvolle samenwerkingsverbanden onderhoudt met bedrijven. Volgens Gribnau moet men over het ‘wij versus zij’ heen stappen en de vele kansen zien op een mooie samenwerking tussen ngo’s en bedrijven. ‘De complexiteit van de problemen van vandaag vragen om samenwerking’, aldus Carol Gribnau. Wel erkende zij dat succesvol partnerschap een soms langere incubatietijd nodig heeft.

    Ook Ron Jansen benadrukte het belang van een goede samenwerking tussen ngo’s en bedrijven. Een samenwerking, waarin een ieder op zijn eigen kracht werkt, maar gelijktijdig elkaar durft op te zoeken.

    Ongeloofwaardigheid

    Aan de andere kant van de scheidslijn waarschuwde Yannick Du Pont dat het maatschappelijk middenveld haar geloofwaardigheid naar het bedrijfsleven heeft verloren – eerst lobbyen voor subsidies, dan voor het bedrijfsleveninstrument. Een ongeloofwaardigheid, die volgens Du Pont, een positieve samenwerking met het bedrijfsleven in de weg staat. Vanuit politiek perspectief betreurde Ingrid de Caluwé dat Partos, de branchevereniging voor Nederlandse particuliere organisaties actief in internationale samenwerking, naar haar mening een concurrentiestrijd aan het voeren is met het ministerie om de gunst van bedrijven.

    Weinig ruimte voor samenwerking dus. Toch gaf Yannick Du Pont aan dat enige concurrentie tussen het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld belangrijk is in een sector die lang vastgeroest is geweest. Op dit punt was Ingrid de Caluwé het eens met Yannick Du Pont. Maar in lijn met de VVD gedachte argumenteerde zij voor een grotere rol van het bedrijfsleven in OS.

    De kritische waakhond

    Een interessante toevoeging aan het debat kwam vanuit de wetenschap. De academica Sabine Luning van de Universiteit Leiden ziet een zichtbaar toegenomen samenwerking tussen het bedrijfsleven, het maatschappelijk middenveld en de wetenschap. Maar in tegenstelling tot Ron Jansen en Carol Gribnau gaf zij aan sceptisch te zijn over deze nieuwe verstandhouding, waarin ngo’s en de wetenschap hun waakhond positie dreigen te verliezen.

    De dagvoorzitter Ton Dietz besloot het debat met enkele interessante woorden. ‘Als men ziet hoe bedrijven functioneren en hoe ngo’s functioneren in heel veel landen, dan zijn er twee domeinen waar ngo’s een hele eigen en zelfstandige functie hebben. De eerste is het domein van de waakhonden, van het scherp houden, het beconcurreren, het bekritiseren en het aan de orde stellen van wantoestanden van wat bedrijven doen.’

    ‘Aan de andere kant zijn ngo’s pionierende bedrijven die, in gebieden of met mensen waar bedrijven weinig aandacht voor hebben en weinig kapitaal in durven te investeren, met subsidie de markt openbreken. Gaandeweg, als het lukt, ziet men het werk dan overgenomen worden door bedrijven.’ Volgens Dietz zouden ngo’s deze rol van sociale ondernemer veel vaker op zich moeten nemen, maar ook na verloop van tijd de ruimte moeten bieden aan particulier initiatief in die landen zelf of plaats maken voor bedrijven. ‘Dan ben je niet meer elkaars concurrent, dan ben je elkaars opvolger’, aldus Dietz.

    Ton Dietz: ‘Een interessante discussie’

    Prikkelende opmerkingen vanuit het publiek zorgden voor veelal levendige discussies. Een punt van kritiek, wat ook werd geopperd door het publiek, was dat in beide debatrondes de definitie van sociaal ondernemerschap niet eenduidig werd neergezet. Er bestaat dus nog geen volledige duidelijkheid wat sociaal ondernemerschap nu precies inhoudt.

    Al met al was de lustrumconferentie een dag met interessante discussies, die een goede weerspiegeling vormden van het grotere maatschappelijk debat rondom sociaal ondernemerschap. Maar eigenlijk, in de woorden waarmee Dietz de dag afsloot, ‘ging het over veel meer’: over het functioneren van de sector, over beeldvorming en over huidige vraagstukken binnen OS.

  • Bedrijven en ngo’s: ‘Niet meer elkaars concurrent, maar elkaars opvolger’ 18 May 2012 | 6:00 am Lokaalmondiaal

    Op 15 mei vond de eerste lustrumconferentie van Students in Free Enterprise (SIFE) Universiteit Leiden plaats, een stichting die duurzaam ondernemerschap vanuit eigen initiatief stimuleert en kennis overdraagt, met projecten in Bolivia, Madagaskar en Nederland. Rondom het thema van de dag, ‘sociaal ondernemerschap’, ontvlamden twee levendige debatrondes tussen het bedrijfsleven, het maatschappelijk middenveld, de politiek en de wetenschap.

    In de huidige tijd van economische crisis en bezuinigingen is er in toenemende mate discussie over het budget voor ontwikkelingssamenwerking. Terwijl het maatschappelijk middenveld steeds meer onder druk staat, wint de rol van de private sector in ontwikkelingssamenwerking aan populariteit.

    Sociaal ondernemen is daarbij een belangrijke nieuwe trend in de ontwikkelingssector. Met sociaal ondernemen wordt er een maatschappelijk doel  nagestreefd, maar met een bedrijfsmatige aanpak. Het duurzame en maatschappelijke doel is de drijfveer, maar financieel gewin is noodzakelijk om voort te blijven bestaan. Nu overheidssubsidies meer en meer lijken af te nemen, is dit een creatief en innovatief alternatief. Maar hoe zijn de verstandhoudingen tussen ngo’s en bedrijven en welke rol is hierin weggelegd voor de politiek en de wetenschap?

    Samenwerken of concurreren?

    De stelling die als meest interessant werd bestempeld kwam naar voren in de tweede debatronde. Dagvoorzitter Ton Dietz, hoogleraar Ontwikkeling Afrika en directeur van het Afrika Studiecentrum Leiden, vroeg de panelleden naar hun mening omtrent de relatie – samenwerking versus concurrentie – tussen ngo’s en bedrijven op het gebied van sociaal ondernemerschap. Een prikkelende stelling die werd bediscussieerd door de panelleden Ingrid de Caluwé van de VVD, Carol Gribnau van Hivos, Sabine Luning van de Universiteit Leiden, Yannick Du Pont van SPARK en Ron Jansen van Ebbinge & Company.

    Ondanks de gedeelde gedachte dat ngo’s en bedrijven een andere taal spreken, stonden de meningen haaks tegenover elkaar. Terwijl Ron Jansen en Carol Gribnau de toenemende positieve samenwerking tussen het maatschappelijk middenveld en het bedrijfsleven benadrukten, wezen Ingrid de Caluwé en Yannick du Pont op het blijvende wantrouwen. Al zou du Pont de relatie geen concurrentie willen noemen, maar eerder ‘een dubbele monoloog’.

    ‘Durf elkaar op te zoeken’

    Aan de ene kant van de scheidslijn beargumenteerde Carol Gribnau haar standpunt aan de hand van haar ervaring bij Hivos, die succesvolle samenwerkingsverbanden onderhoudt met bedrijven. Volgens Gribnau moet men over het ‘wij versus zij’ heen stappen en de vele kansen zien op een mooie samenwerking tussen ngo’s en bedrijven. ‘De complexiteit van de problemen van vandaag vragen om samenwerking’, aldus Carol Gribnau. Wel erkende zij dat succesvol partnerschap een soms langere incubatietijd nodig heeft.

    Ook Ron Jansen benadrukte het belang van een goede samenwerking tussen ngo’s en bedrijven. Een samenwerking, waarin een ieder op zijn eigen kracht werkt, maar gelijktijdig elkaar durft op te zoeken.

    Ongeloofwaardigheid

    Aan de andere kant van de scheidslijn waarschuwde Yannick Du Pont dat het maatschappelijk middenveld haar geloofwaardigheid naar het bedrijfsleven heeft verloren – eerst lobbyen voor subsidies, dan voor het bedrijfsleveninstrument. Een ongeloofwaardigheid, die volgens Du Pont, een positieve samenwerking met het bedrijfsleven in de weg staat. Vanuit politiek perspectief betreurde Ingrid de Caluwé dat Partos, de branchevereniging voor Nederlandse particuliere organisaties actief in internationale samenwerking, naar haar mening een concurrentiestrijd aan het voeren is met het ministerie om de gunst van bedrijven.

    Weinig ruimte voor samenwerking dus. Toch gaf Yannick Du Pont aan dat enige concurrentie tussen het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld belangrijk is in een sector die lang vastgeroest is geweest. Op dit punt was Ingrid de Caluwé het eens met Yannick Du Pont. Maar in lijn met de VVD gedachte argumenteerde zij voor een grotere rol van het bedrijfsleven in OS.

    De kritische waakhond

    Een interessante toevoeging aan het debat kwam vanuit de wetenschap. De academica Sabine Luning van de Universiteit Leiden ziet een zichtbaar toegenomen samenwerking tussen het bedrijfsleven, het maatschappelijk middenveld en de wetenschap. Maar in tegenstelling tot Ron Jansen en Carol Gribnau gaf zij aan sceptisch te zijn over deze nieuwe verstandhouding, waarin ngo’s en de wetenschap hun waakhond positie dreigen te verliezen.

    De dagvoorzitter Ton Dietz besloot het debat met enkele interessante woorden. ‘Als men ziet hoe bedrijven functioneren en hoe ngo’s functioneren in heel veel landen, dan zijn er twee domeinen waar ngo’s een hele eigen en zelfstandige functie hebben. De eerste is het domein van de waakhonden, van het scherp houden, het beconcurreren, het bekritiseren en het aan de orde stellen van wantoestanden van wat bedrijven doen.’

    ‘Aan de andere kant zijn ngo’s pionierende bedrijven die, in gebieden of met mensen waar bedrijven weinig aandacht voor hebben en weinig kapitaal in durven te investeren, met subsidie de markt openbreken. Gaandeweg, als het lukt, ziet men het werk dan overgenomen worden door bedrijven.’ Volgens Dietz zouden ngo’s deze rol van sociale ondernemer veel vaker op zich moeten nemen, maar ook na verloop van tijd de ruimte moeten bieden aan particulier initiatief in die landen zelf of plaats maken voor bedrijven. ‘Dan ben je niet meer elkaars concurrent, dan ben je elkaars opvolger’, aldus Dietz.

    Ton Dietz: ‘Een interessante discussie’

    Prikkelende opmerkingen vanuit het publiek zorgden voor veelal levendige discussies. Een punt van kritiek, wat ook werd geopperd door het publiek, was dat in beide debatrondes de definitie van sociaal ondernemerschap niet eenduidig werd neergezet. Er bestaat dus nog geen volledige duidelijkheid wat sociaal ondernemerschap nu precies inhoudt.

    Al met al was de lustrumconferentie een dag met interessante discussies, die een goede weerspiegeling vormden van het grotere maatschappelijk debat rondom sociaal ondernemerschap. Maar eigenlijk, in de woorden waarmee Dietz de dag afsloot, ‘ging het over veel meer’: over het functioneren van de sector, over beeldvorming en over huidige vraagstukken binnen OS.

  • Verandering in realiteit door ‘Alternate Reality Gaming’ 18 May 2012 | 12:00 am Lokaalmondiaal

    Voor haar Master Communicatiewetenschap deed Priscilla Haring in 2011 onderzoek dat zich richtte op Alternate Reality Gaming.

  • Latijns-Amerikaans armoedebeleid kijkt te veel naar gemiddelden 17 May 2012 | 6:00 am Vice Versa

    IPS  — Het armoedebeleid van de Latijns-Amerikaanse landen kijkt te veel naar de nationale gemiddelden. Daardoor gaat het voorbij aan de zware achterstelling in bepaalde zones, vooral op het platteland. Dat blijkt uit het Latijns-Amerikaans Rapport over Armoede en Ongelijkheid 2011.

    Latijns-Amerika is nog steeds een van de regio’s met de grootste ongelijkheid ter wereld. Waar je precies geboren wordt, heeft enorme gevolgen voor je sociaaleconomische toekomst, zegt de studie, die vorige week woensdag in de Chileense hoofdstad is gepresenteerd door het Latijns-Amerikaans Centrum voor Plattelandsontwikkeling (Rimisp).

    Wie op het platteland geboren wordt, in een zone met weinig inwoners, en met relatief meer inheemse inwoners of inwoners van Afrikaanse herkomst, komt er vaak slechter vanaf dan veel landgenoten.

    Er zijn landen met een relatief lage ontwikkeling die geen gebieden hebben met voorsprong of achterstand ten opzichte van het landelijke gemiddelde. Maar andere landen, met een relatief hoge ontwikkeling, hebben slechts enkele zones met goede resultaten terwijl de rest achtergesteld is.

    Tirannie van de gemiddelden

    Nationale cijfers zijn daarom geen goede basis voor een armoedebeleid, zegt onderzoekscoördinator Ignacia Fernández, sociologe aan de Universiteit van Barcelona. Armoedebeleid dat niet differentieert maakt de problemen soms nog erger, zegt ze.

    ‘De tirannie van de gemiddelden verbergt belangrijke verschillen. Een goed voorbeeld is Chili. Over het algemeen is het Chileense gemiddelde goed in vergelijking met de rest van de regio. Maar het heeft wel gemeenschappen met indicatoren die gelijklopen met die in Nigeria, en andere die met Zwitserland te vergelijken zijn.’

    Het Rimisp deed onderzoek in Bolivia, Brazilië, Chili, Colombia, Ecuador, El Salvador, Guatemala, Mexico, Nicaragua en Peru. Telkens gingen ze na hoe het er is gesteld met de gezondheidszorg, het onderwijs, de economische dynamiek en tewerkstelling, de inkomens en armoede, de veiligheid en de gendergelijkheid.

  • Latijns-Amerikaans armoedebeleid kijkt te veel naar gemiddelden 17 May 2012 | 6:00 am Lokaalmondiaal

    IPS  — Het armoedebeleid van de Latijns-Amerikaanse landen kijkt te veel naar de nationale gemiddelden. Daardoor gaat het voorbij aan de zware achterstelling in bepaalde zones, vooral op het platteland. Dat blijkt uit het Latijns-Amerikaans Rapport over Armoede en Ongelijkheid 2011.

    Latijns-Amerika is nog steeds een van de regio’s met de grootste ongelijkheid ter wereld. Waar je precies geboren wordt, heeft enorme gevolgen voor je sociaaleconomische toekomst, zegt de studie, die vorige week woensdag in de Chileense hoofdstad is gepresenteerd door het Latijns-Amerikaans Centrum voor Plattelandsontwikkeling (Rimisp).

    Wie op het platteland geboren wordt, in een zone met weinig inwoners, en met relatief meer inheemse inwoners of inwoners van Afrikaanse herkomst, komt er vaak slechter vanaf dan veel landgenoten.

    Er zijn landen met een relatief lage ontwikkeling die geen gebieden hebben met voorsprong of achterstand ten opzichte van het landelijke gemiddelde. Maar andere landen, met een relatief hoge ontwikkeling, hebben slechts enkele zones met goede resultaten terwijl de rest achtergesteld is.

    Tirannie van de gemiddelden

    Nationale cijfers zijn daarom geen goede basis voor een armoedebeleid, zegt onderzoekscoördinator Ignacia Fernández, sociologe aan de Universiteit van Barcelona. Armoedebeleid dat niet differentieert maakt de problemen soms nog erger, zegt ze.

    ‘De tirannie van de gemiddelden verbergt belangrijke verschillen. Een goed voorbeeld is Chili. Over het algemeen is het Chileense gemiddelde goed in vergelijking met de rest van de regio. Maar het heeft wel gemeenschappen met indicatoren die gelijklopen met die in Nigeria, en andere die met Zwitserland te vergelijken zijn.’

    Het Rimisp deed onderzoek in Bolivia, Brazilië, Chili, Colombia, Ecuador, El Salvador, Guatemala, Mexico, Nicaragua en Peru. Telkens gingen ze na hoe het er is gesteld met de gezondheidszorg, het onderwijs, de economische dynamiek en tewerkstelling, de inkomens en armoede, de veiligheid en de gendergelijkheid.

  • Klaar voor verandering? 16 May 2012 | 1:00 pm Vice Versa

    Welke landen zijn goed voorbereid op verandering? En welke landen hebben het vermogen te profiteren van de mogelijkheden die verandering met zich meebrengt? Dat zijn de vragen die KPMG International en het Overseas Development Institute (ODI) pogen te beantwoorden met hun nieuw ontwikkelde Change Readiness Index 2012.

    In de huidige wereld, die constant ontwikkelt en waarin landen in toegenomen mate met elkaar in verbinding staan, is verandering onontkoombaar. Landen, bedrijven en instellingen overal ter wereld hebben iedere dag te maken met verandering en de mogelijkheden en gevaren die dat met zich meebrengt. Een voor de hand liggend voorbeeld is de impact van de financiële crisis op Nederland, Europa en nagenoeg de hele wereld. Maar ook de crises omtrent voedselzekerheid, klimaatverandering, politieke instabiliteit, urbanisatie en bevolkingsgroei zijn in toenemende mate globaal voelbaar.

    Toch blijken sommige landen beter dan andere landen in staat adequaat te reageren op verandering. Die landen hebben het vermogen goed in te spelen op ontstane mogelijkheden en kunnen tegelijkertijd bijkomend risico verminderen. Dit vermogen om te gaan met verandering, zo luidt de hypothese waarop de Change Readiness Index is gebaseerd, lijkt een belangrijke determinant te zijn in de duurzame ontwikkeling en groei van een land. In de huidige tijdsgeest, waarin het begrip duurzaamheid aan populariteit wint, komt de index als geroepen.

    Het idee voor een index, die meet in hoeverre een land nationale groei in stand kan houden en toekomstige uitdagingen de kop kan bieden, ontstond in 2010 tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van het World Economic Forum. De index is daarna ontwikkeld in nauwe samenwerking met belangrijke stakeholders en landendeskundigen en door raadpleging van bestaande academische literatuur.

    De vooruitkijkende index meet niet alleen de capaciteit van de overheid, maar kijkt naar het vermogen van het hele land, inclusief de private sector en het maatschappelijk middenveld, om effectief om te gaan met verandering. Door de onderliggende factoren van dit  ‘change readiness’ vermogen bloot te leggen, beoogt de index nieuwe inzichten te bieden voor nationale en internationale beleidsontwikkeling en donoracties gericht op het versterken van het gouvernementeel, economisch en sociaal vermogen van een land.

    Chili

    De index is ontwikkeld rondom een set van indicatoren, die nader onverdeeld kunnen worden in drie categorieën: economische capaciteit, beleidscapaciteit en sociale capaciteit. De index bouwt voort op een aantal bestaande indices van onder andere het World Economic Forum en de Wereldbank. Maar ze voegt ook zelf een aantal nationale indicatoren toe, zoals het nationale beheer rondom het macro-economisch klimaat, de diversificatie van de economische structuur en het vermogen risico te minimaliseren, de relatie tussen de staat en het bedrijfsleven en de rol van het maatschappelijk middenveld.

    De index toont een paar opvallende uitkomsten, die de algemeen heersende verwachting tegenspreken. Zo komt Chili als eerste uit de meting, terwijl een hoog aangeschreven land als Brazilië de 31ste plaats inneemt. Maleisië scoort met haar zevende plek veel hoger dan Thailand (32ste plek), terwijl de twee landen een redelijk gelijke groeitrend laten zien in BNP. Ook komt Ghana (18de plek) veel positiever uit de meting dan Zimbabwe, die op de 58ste plek staat. Dit terwijl beide landen laag scoren op conventionele metingen, zoals die van het World Economic Forum.

    De Change Readiness Index kan daarmee ook dienen als een belangrijk medium waarmee de uitkomsten van andere reeds conventionele meetinstrumenten kunnen worden geverifieerd. De index staat echter nog wel in haar kinderschoenen en dus is enige terughoudendheid geboden. De aankomende jaren zullen KPMG en ODI de index nader onderzoeken en verfijnen en de jaarlijkse vooruitgang van landen op de index meten, om op die manier te werken aan de verdere verbetering en versterking van het meetinstrument.