mambapoint

Wereldmediahuis

Journalistiek over de rest van de wereld: Het wereldmediahuis bericht over globalisering en ontwikkelingslanden en verbindt verschillende onafhankelijke journalistieke redacties tot een crossmediaal geheel. Lees meer over het Wereldmediahuis.

Nieuws

  • Non-paper Knapen zorgt voor anticlimax in debat NGO’s 28 Jan 2012 | 1:06 pm Vice Versa


    Afgelopen vrijdag kwam staatssecretaris Ben Knapen dan eindelijk met zijn non-paper over de rol van de NGO’s binnen de internationale samenwerking. Vice Versa hoofdredacteur Marc Broere kon zijn ogen bijna niet geloven toen hij het las. De staatssecretaris zorgt met zijn magere bijdrage voor een anticlimax in het debat.

    Op vrijdagmiddag was het dan eindelijk zover: ik kreeg het langverwachte non-paper van staatssecretaris Knapen over de rol van NGO’s in mijn inbox. Het is zijn bijdrage aan het debat over de rol en de toekomst van NGO’s binnen de hulparchitectuur, een debat dat op Knapens eigen initiatief is gelanceerd. We stonden op de redactie op het punt om aan onze traditionele vrijdagmiddagborrel te beginnen. Waarom net nú dat stuk, was mijn eerste reactie.

    Aan de andere kant verbaasde het me ook weer niet. De staatssecretaris lijkt er een gewoonte van te maken om zijn belangrijke Kamerbrieven en andere bijdrages aan het debat op de late vrijdagmiddag openbaar te maken. Toch kon ik mij na tien minuten al bij mijn borrelende collega’s vervoegen, en daar is meteen ook eigenlijk alles mee gezegd. Ik had slechts tien minuten nodig om het stuk te lezen en er een bericht van te maken. Er staat namelijk vrijwel helemaal niets in het non-paper van Knapen.

    Verwachtingen

    Half december, tijdens het slotdebat van de Knaak van Knapen, werd door het ministerie nog een echt visiestuk aangekondigd dat binnen enkele dagen zou verschijnen. Dat wekte verwachtingen. De staatssecretaris had zin in een inhoudelijke discussie, werd benadrukt. Daarna werd het non-paper telkens weer uitgesteld en kreeg ik al het gevoel dat het onderwerp snel aan betekenis verloor voor de staatssecretaris. Helaas is mijn angst nu bewaarheid. Wat afgelopen vrijdag in mijn mailbox binnenkwam, was een stuk van een kleine drie pagina’s. Knapen zegt te willen bijdragen aan de discussie ‘niet door geharnaste meningen te verkondigen, maar door vragen te stellen.’

    En dat hebben we geweten. Het stuk bevat zelfs niet eens de aanzet tot een visie.  Ook de vragen zelf zijn weinig verrassend en vernieuwend. Van een voormalig journalist met zo’n groot statuur als Knapen zou je meer mogen verwachten. Op basis van deze vragen concludeert de staatssecretaris vervolgens met zevenmijlslaarzen dat een voortzetting van het medefinancieringsstelsel na 2015 niet meer vanzelfsprekend is.

    Anticlimax

    Vanochtend vroeg kreeg ik een email van een prominent denker uit de sector. ‘Dank, ik ga het stuk dit weekend in alle rust lezen’, schreef hij. Om mij precies negen minuten later een tweede mail te sturen. ‘Poeh zeg… ik dacht, daar ga ik eens lekker voor zitten. Maar het stuk woei spontaan door zijn eigen gewichtloosheid van mijn tafel. Nee, zelfs onze eigen vragen zijn beter! Nou ja, we moeten het zelf doen en dat wisten we eigenlijk al…’

    Deze mail slaat de spijker op de kop. Je kunt stellen dat het visiestuk van Knapen een anticlimax is geworden in de discussie over de rol en toekomst van de particuliere ontwikkelingsorganisaties. Het stuk van Knapen was oorspronkelijk bedoeld om naast andere stukken –zoals dat van René Grotenhuis en Jan Gruiters- het discussievuurtje op te stoken. In plaats daarvan lijkt de staatssecretaris zijn best te doen om de discussie, zelfs voordat die echt is begonnen, weer als een nachtkaars uit te blazen.

    Hiermee doet hij ook geen recht aan mensen als René Grotenhuis, Jan Gruiters, Farah Karimi, Marinus Verweij, Allert van den Ham, Reinier van Hoffen, Frank van der Linde, Remco Berkhout en al die anderen die de afgelopen weken of de komende week nog echt hun best hebben gedaan om een inhoudelijk debat op gang te brengen. Zij pakten de handschoen van Knapen op, maar worden daar geenszins voor beloond. Integendeel: de staatssecretaris wekt de indruk met zijn non-paper dat de rol van de particuliere ontwikkelingssamenwerking voor hem en het kabinet heel duidelijk een posterioriteit is.

    Ergernis en frustratie

    Hoe nu verder? Vice Versa heeft volgens afspraak afgelopen maand geprobeerd de discussie over de rol van NGO’s op gang te brengen. Daar hadden we graag nog een maand mee verder gegaan, indien Knapen ook met een inspirerend stuk zou komen die deze journalistieke keuze zou rechtvaardigen. We zullen het debat zeker nog wel blijven volgen en er over schrijven, maar na volgende week in ieder geval minder intensief. Dan is er ook weer meer ruimte voor andere artikelen. Onze collega’s van OneWorld zullen de komende maand in ieder geval nog met dagelijkse stukken over dit onderwerp doorgaan.

    Afgelopen week konden we op OneWorld al een prikkelende bijdrage lezen van Peter R de Vries. De misdaadverslaggever had zich eveneens aan het uitstel van het non-paper geïrriteerd. Toen hij las dat de bijdrage van Knapen een paar weken was opgeschort door ‘vertraging bij BUZA’ voelde hij de ‘ergernis en frustratie’ opborrelen. ‘Hangt alles weer af van de ambtenaren van BUZA? Kom op zeg! Hoe wil je ooit iets voor elkaar krijgen als dit soort lui de regie bepaalt? Het geeft aan hoe ver we van de werkelijkheid zijn afgedwaald’, aldus Peter R de Vries.

    Mocht het ministerie alsnog met iets beters komen, dan neemt de journalistieke relevantie uiteraard meteen weer toe. Knapen zou iedereen een groot plezier doen om alsnog zijn oorspronkelijke, uitgebreidere stuk dat half december was aangekondigd vrij te geven waarin, naar het schijnt, wel een echte visie staat. Anders hoop ik dat dit stuk op een andere manier opdwarrelt bij ons of bij onze collega’s van OneWorld. Dan zetten we het meteen online.

     

     

  • Non-paper Knapen zorgt voor anticlimax in debat NGO’s 28 Jan 2012 | 1:06 pm Lokaalmondiaal


    Afgelopen vrijdag kwam staatssecretaris Ben Knapen dan eindelijk met zijn non-paper over de rol van de NGO’s binnen de internationale samenwerking. Vice Versa hoofdredacteur Marc Broere kon zijn ogen bijna niet geloven toen hij het las. De staatssecretaris zorgt met zijn magere bijdrage voor een anticlimax in het debat.

    Op vrijdagmiddag was het dan eindelijk zover: ik kreeg het langverwachte non-paper van staatssecretaris Knapen over de rol van NGO’s in mijn inbox. Het is zijn bijdrage aan het debat over de rol en de toekomst van NGO’s binnen de hulparchitectuur, een debat dat op Knapens eigen initiatief is gelanceerd. We stonden op de redactie op het punt om aan onze traditionele vrijdagmiddagborrel te beginnen. Waarom net nú dat stuk, was mijn eerste reactie.

    Aan de andere kant verbaasde het me ook weer niet. De staatssecretaris lijkt er een gewoonte van te maken om zijn belangrijke Kamerbrieven en andere bijdrages aan het debat op de late vrijdagmiddag openbaar te maken. Toch kon ik mij na tien minuten al bij mijn borrelende collega’s vervoegen, en daar is meteen ook eigenlijk alles mee gezegd. Ik had slechts tien minuten nodig om het stuk te lezen en er een bericht van te maken. Er staat namelijk vrijwel helemaal niets in het non-paper van Knapen.

    Verwachtingen

    Half december, tijdens het slotdebat van de Knaak van Knapen, werd door het ministerie nog een echt visiestuk aangekondigd dat binnen enkele dagen zou verschijnen. Dat wekte verwachtingen. De staatssecretaris had zin in een inhoudelijke discussie, werd benadrukt. Daarna werd het non-paper telkens weer uitgesteld en kreeg ik al het gevoel dat het onderwerp snel aan betekenis verloor voor de staatssecretaris. Helaas is mijn angst nu bewaarheid. Wat afgelopen vrijdag in mijn mailbox binnenkwam, was een stuk van een kleine drie pagina’s. Knapen zegt te willen bijdragen aan de discussie ‘niet door geharnaste meningen te verkondigen, maar door vragen te stellen.’

    En dat hebben we geweten. Het stuk bevat zelfs niet eens de aanzet tot een visie.  Ook de vragen zelf zijn weinig verrassend en vernieuwend. Van een voormalig journalist met zo’n groot statuur als Knapen zou je meer mogen verwachten. Op basis van deze vragen concludeert de staatssecretaris vervolgens met zevenmijlslaarzen dat een voortzetting van het medefinancieringsstelsel na 2015 niet meer vanzelfsprekend is.

    Anticlimax

    Vanochtend vroeg kreeg ik een email van een prominent denker uit de sector. ‘Dank, ik ga het stuk dit weekend in alle rust lezen’, schreef hij. Om mij precies negen minuten later een tweede mail te sturen. ‘Poeh zeg… ik dacht, daar ga ik eens lekker voor zitten. Maar het stuk woei spontaan door zijn eigen gewichtloosheid van mijn tafel. Nee, zelfs onze eigen vragen zijn beter! Nou ja, we moeten het zelf doen en dat wisten we eigenlijk al…’

    Deze mail slaat de spijker op de kop. Je kunt stellen dat het visiestuk van Knapen een anticlimax is geworden in de discussie over de rol en toekomst van de particuliere ontwikkelingsorganisaties. Het stuk van Knapen was oorspronkelijk bedoeld om naast andere stukken –zoals dat van René Grotenhuis en Jan Gruiters- het discussievuurtje op te stoken. In plaats daarvan lijkt de staatssecretaris zijn best te doen om de discussie, zelfs voordat die echt is begonnen, weer als een nachtkaars uit te blazen.

    Hiermee doet hij ook geen recht aan mensen als René Grotenhuis, Jan Gruiters, Farah Karimi, Marinus Verweij, Allert van den Ham, Reinier van Hoffen, Frank van der Linde, Remco Berkhout en al die anderen die de afgelopen weken of de komende week nog echt hun best hebben gedaan om een inhoudelijk debat op gang te brengen. Zij pakten de handschoen van Knapen op, maar worden daar geenszins voor beloond. Integendeel: de staatssecretaris wekt de indruk met zijn non-paper dat de rol van de particuliere ontwikkelingssamenwerking voor hem en het kabinet heel duidelijk een posterioriteit is.

    Ergernis en frustratie

    Hoe nu verder? Vice Versa heeft volgens afspraak afgelopen maand geprobeerd de discussie over de rol van NGO’s op gang te brengen. Daar hadden we graag nog een maand mee verder gegaan, indien Knapen ook met een inspirerend stuk zou komen die deze journalistieke keuze zou rechtvaardigen. We zullen het debat zeker nog wel blijven volgen en er over schrijven, maar na volgende week in ieder geval minder intensief. Dan is er ook weer meer ruimte voor andere artikelen. Onze collega’s van OneWorld zullen de komende maand in ieder geval nog met dagelijkse stukken over dit onderwerp doorgaan.

    Afgelopen week konden we op OneWorld al een prikkelende bijdrage lezen van Peter R de Vries. De misdaadverslaggever had zich eveneens aan het uitstel van het non-paper geïrriteerd. Toen hij las dat de bijdrage van Knapen een paar weken was opgeschort door ‘vertraging bij BUZA’ voelde hij de ‘ergernis en frustratie’ opborrelen. ‘Hangt alles weer af van de ambtenaren van BUZA? Kom op zeg! Hoe wil je ooit iets voor elkaar krijgen als dit soort lui de regie bepaalt? Het geeft aan hoe ver we van de werkelijkheid zijn afgedwaald’, aldus Peter R de Vries.

    Mocht het ministerie alsnog met iets beters komen, dan neemt de journalistieke relevantie uiteraard meteen weer toe. Knapen zou iedereen een groot plezier doen om alsnog zijn oorspronkelijke, uitgebreidere stuk dat half december was aangekondigd vrij te geven waarin, naar het schijnt, wel een echte visie staat. Anders hoop ik dat dit stuk op een andere manier opdwarrelt bij ons of bij onze collega’s van OneWorld. Dan zetten we het meteen online.

     

     

  • Knapen: voorzetting MFS niet langer vanzelfsprekend 27 Jan 2012 | 4:38 pm Lokaalmondiaal

    Een voortzetting van het medefinancieringsstelsel na 2015 is niet langer vanzelfsprekend. Dat concludeert staatssecretaris Ben Knapen in zijn langverwachte non-paper waarin zijn bijdrage aan de discussie over de toekomst van de NGO’s  staat.

    Knapen komt tot deze conclusie op basis van een vijftal  veranderende trends die hij schetst en die bij hem een aantal fundamentele vragen oproepen op de rol van NGO’s.

    Zo vraag hij zich af welke rol NGO’s kunnen spelen in lage-inkomenslanden, fragiele staten of middeninkomenslanden.  Of in hoeverre  het belangrijke is dat internationaal opererende maatschappelijke organisaties een Nederlands karakter hebben en houden. Ook roept hij de vraag op of zuidelijke NGO’s niet vaker rechtstreeks door de overheid kunnen worden gefinancierd.

    Knapen erkent verder het spanningsveld tussen verantwoording afleggen over subsidies en de wens om regeldruk en bureaucratie te verminderen. ‘Hoe kunnen deze legitieme wensen met elkaar worden verzoend?’

    De staatssecretaris zegt te willen bijdragen aan de discussie ‘niet door geharnaste meningen te verkondigen, maar door vragen te stellen.’ De antwoorden op deze vragen zijn cruciaal voor de toekomstige relatie tussen overheid en maatschappelijk middenveld, aldus Knapen.

    Discussiebijdrage BZ_overheid en maatschappelijk middenveld_DEFINITIEF

  • Knapen: voorzetting MFS niet langer vanzelfsprekend 27 Jan 2012 | 4:38 pm Vice Versa

    Een voortzetting van het medefinancieringsstelsel na 2015 is niet langer vanzelfsprekend. Dat concludeert staatssecretaris Ben Knapen in zijn langverwachte non-paper waarin zijn bijdrage aan de discussie over de toekomst van de NGO’s  staat.

    Knapen komt tot deze conclusie op basis van een vijftal  veranderende trends die hij schetst en die bij hem een aantal fundamentele vragen oproepen op de rol van NGO’s.

    Zo vraag hij zich af welke rol NGO’s kunnen spelen in lage-inkomenslanden, fragiele staten of middeninkomenslanden.  Of in hoeverre  het belangrijke is dat internationaal opererende maatschappelijke organisaties een Nederlands karakter hebben en houden. Ook roept hij de vraag op of zuidelijke NGO’s niet vaker rechtstreeks door de overheid kunnen worden gefinancierd.

    Knapen erkent verder het spanningsveld tussen verantwoording afleggen over subsidies en de wens om regeldruk en bureaucratie te verminderen. ‘Hoe kunnen deze legitieme wensen met elkaar worden verzoend?’

    De staatssecretaris zegt te willen bijdragen aan de discussie ‘niet door geharnaste meningen te verkondigen, maar door vragen te stellen.’ De antwoorden op deze vragen zijn cruciaal voor de toekomstige relatie tussen overheid en maatschappelijk middenveld, aldus Knapen.

    Discussiebijdrage BZ_overheid en maatschappelijk middenveld_DEFINITIEF

  • Oude meesters, jonge honden #5: Een voorbeschouwing 27 Jan 2012 | 3:00 pm Vice Versa

    In een debatreeks van zes avonden brengen Vice Versa en lokaalmondiaal jonge en oude idealisten met elkaar in gesprek.  Maandag 30 januari is de volgende editie met als thema ‘(Oud-)politici over de OS’. Aan tafel zitten Bas de Gaay Fortman, Eimert van Middelkoop, Wassila Hachchi, Ingrid de Caluwé en Jeroen de Lange. Wat is precies hun relatie met ontwikkelingssamenwerking en hoe hebben zij zich in het verleden hierover uitgelaten?

    Zowel de jonge als de oude idealisten zullen op de vijfde avond van ‘Oude meesters, jonge honden’ proberen antwoord te geven op vragen als: ‘Wat zijn de grootste veranderingen in de ontwikkelingssector (OS) door de jaren heen?’, ‘Waar worden deze veranderingen door gekenmerkt?’ en ‘Welke plaats heeft de OS tegenwoordig nog in de politiek (en daarmee de maatschappij)?’ In deze voorbeschouwing alvast een beeld van wat we mogelijk kunnen verwachten van ‘oude meesters’ Bas de Gaay Fortman en Eimert van Middelkoop, en ‘jonge honden’ Wassila Hachchi en Jeroen de Lange. Een overzicht van hun achtergronden en hun visies op ontwikkelingssamenwerking.

    Bas de Gaay Fortman

    Emeritus professor Bas de Gaay Fortman heeft een indrukwekkende reputatie op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Hij is al zijn hele leven betrokken bij het onderwerp: als academicus, in de politiek en in het bestuur bij organisaties als SNV en NOVIB. In de jaren zeventig en tachtig was hij voorman van de Politieke Partij Radicalen (PPR) en zat hij voor deze partij (en later voor GroenLinks) in de Eerste en Tweede Kamer. Ook heeft hij op vele plekken lesgegeven op het gebied van de politieke economie. Zo doceerde hij aan de Universiteit van Zambia, als hoogleraar aan het Institute for Social Studies in Den Haag en bekleedde hij tot eind 2010 de leerstoel Mensenrechten aan de Universiteit Utrecht.

    In eerdere interviews met Vice Versa bekritiseerde Bas De Gaay Fortman het Nederlandse beleid met betrekking tot ontwikkelingssamenwerking. ‘Helaas wordt het Nederlandse beleid te veel bepaald door de steeds wisselende bewindslieden op ontwikkelingssamenwerking en wijzigt het daarom steeds van koers.’

    De Gaay Fortman is van mening dat de speerpunten van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid meer gaan over de zelfprofilering van Nederland dan over de ontwikkelingslanden. In het licht van het politieke debat over de toekomst van ontwikkelingssamenwerking verklaarde De Gaay Fortman: ‘Eigenlijk kun je stellen dat ontwikkelingssamenwerking geen rol meer speelt in het huidige debat in Nederland, behalve dan dat het telkens ter discussie wordt gesteld.’

    Eimert van Middelkoop

    De andere ‘oude meester’ van de avond, Eimert van Middelkoop, is politicus van de ChristenUnie. In het kabinet Balkenende IV was hij minister van Defensie en minister voor Wonen, Wijken en Integratie. Daarvoor zat hij in de Eerste en Tweede Kamer. Tevens is Van Middelkoop jarenlang woordvoerder ontwikkelingssamenwerking voor de ChristenUnie geweest.

    Door Van Middelkoop gedane uitspraken over ontwikkelingssamenwerking zijn opmerkelijk genoeg moeilijk te traceren. Wel benadrukte hij als minister van Defensie dat wederopbouw en ontwikkeling moeten worden overgelaten aan hulporganisaties en plaatselijke autoriteiten. Het leger dient zich bij missies zoals die in Uruzgan te beperken tot het brengen van veiligheid, aldus Van Middelkoop. Wat zou zijn visie zijn op de rol van ontwikkelingssamenwerking in de politiek en de maatschappij?

    Wassila Hachchi

    Wassila Hachchi is Tweede Kamerlid en woordvoerder ontwikkelingssamenwerking van D66. Deze ‘jonge hond’ werd in 2007 uitgeroepen tot jonge ambtenaar van het jaar. Hachchi benadrukt dat Nederland niet alleen uit moreel besef aan ontwikkelingssamenwerking moet doen, maar dat het ook in ons eigen belang is. Op haar eigen website schrijft ze: ‘De ontwikkelingssector moet zich blijven aanpassen. En doet dat gelukkig ook. De rol van de overheid en het bedrijfsleven moet veranderen.’ Wachchi erkent dat het huidige kabinet probeert hierop in te spelen, maar is zeer ontevreden met de manier waarop het kabinet dit doet. ‘Zeer onwenselijk’ vindt Wachchi de grove overheidsbezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking. ‘Het kabinet gaat nu voor bezuinigen met de kaasschaaf, terwijl je ook fundamenteel kan hervormen. Dat bespaart geld en is ook nog eens duurzaam voor de lange termijn.

    Wassila Hachchi stelt dat het ontwikkelingsbeleid het meest succesvol zal zijn als de overheid, het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld in balans zijn. Dit kabinet focust te veel op het bedrijfsleven, zo betoogt Hachchi. ‘Hoewel ik denk dat het bedrijfsleven in de lokale private sector een belangrijke rol speelt, laat Knapen de balans los door teveel op het bedrijfsleven te focussen, en dan ook nog eens op het Nederlandse bedrijfsleven. Dan sla je door.’

    Ingrid de Caluwé

    ‘Jonge hond’ Ingrid de Caluwé is sinds afgelopen jaar Tweede Kamerlid van de VVD. Als woordvoerder ontwikkelingssamenwerking van deze partij betoogt ze dat ontwikkelingsorganisaties in de toekomst minder afhankelijk moeten worden van overheidssubsidies. Ze wil dat in een eventueel nieuw MFS organisaties voor minimaal vijftig procent zelf hun broek ophouden buiten de overheidssubsidies om. Bovendien is er volgens De Caluwé decennia lang hulp gepompt in landen zonder aantoonbaar resultaat. De VVD wil met minder geld meer bereiken, stelt ze.

    Speerpunt voor de woordvoerder van de VVD is de rol van de private sector in het ontwikkelingsbeleid. Tijdens het VVD-congres over ontwikkelingssamenwerking in november 2011 bepleitte ze dat ontwikkelingssamenwerking ‘efficiënter en dus goedkoper’ kan door het bedrijfsleven als motor voor ontwikkeling in te zetten. ‘Geen aid maar trade.’ Ze pleit hierbij voor een datingplatform waarin de vraag uit ontwikkelingslanden met het aanbod van Nederlandse bedrijven kan worden gematcht. In een eerder interview met Vice Versa stelde De Caluwé dat niet alleen ontwikkelingslanden beter moeten worden van ontwikkelingssamenwerking: ‘We mogen best onze eigen bedrijven promoten.’

    Jeroen de Lange

    ‘Jonge hond’ en kersverse politicus Jeroen de Lange is de nieuwe woordvoerder internationale samenwerking van de PvdA. Hij is oud Wereldbank econoom en werkte jarenlang in Afrika, onder andere op de Nederlandse ambassades in Rwanda en Uganda. De laatste maanden was hij werkzaam als adviseur van René Grotenhuis bij Cordaid. Bovendien werkte hij mee aan het WRR-rapport ‘Minder pretentie, meer ambitie’  en was hij een van de geestesvaders van het idee van een ‘NL-AID’, om het bilaterale beleid te professionaliseren.

    In een eerder interview met Vice Versa geeft Jeroen de Lange aan dat ‘de eisen en wensen vanuit Den Haag’ niet langer centraal moeten staan in het Nederlandse beleid over ontwikkelingssamenwerking. Er wordt te veel uitgegaan van ‘een beeld van hoe het er ‘in het veld’ aan toe gaat, terwijl de werkelijkheid heel anders is.’ Het ontwikkelingsland zelf moet meer als uitgangspunt genomen worden, aldus De Lange. Bovendien mist hij de inhoudelijke onderbouwing bij de keuzes voor landen en thema’s die de regering maakt in haar beleid. ‘Alles wordt aan elkaar gekauwgomd.’

     

    Het belooft een enerverende avond te worden met deze oude en nieuwe woordvoerders ontwikkelingssamenwerking en hun eigen visies op het onderwerp. De vijfde avond van Oude meesters, jonge honden vindt plaats op maandag 30 januari vanaf 19.30 in het Humanity House in Den Haag. Aanmelden kan via aanmelden@humanityhouse.org ovv Oude meesters, jonge honden. De zaal is open vanaf 19.15 uur.

  • Oude meesters, jonge honden #5: Een voorbeschouwing 27 Jan 2012 | 3:00 pm Lokaalmondiaal

    In een debatreeks van zes avonden brengen Vice Versa en lokaalmondiaal jonge en oude idealisten met elkaar in gesprek.  Maandag 30 januari is de volgende editie met als thema ‘(Oud-)politici over de OS’. Aan tafel zitten Bas de Gaay Fortman, Eimert van Middelkoop, Wassila Hachchi, Ingrid de Caluwé en Jeroen de Lange. Wat is precies hun relatie met ontwikkelingssamenwerking en hoe hebben zij zich in het verleden hierover uitgelaten?

    Zowel de jonge als de oude idealisten zullen op de vijfde avond van ‘Oude meesters, jonge honden’ proberen antwoord te geven op vragen als: ‘Wat zijn de grootste veranderingen in de ontwikkelingssector (OS) door de jaren heen?’, ‘Waar worden deze veranderingen door gekenmerkt?’ en ‘Welke plaats heeft de OS tegenwoordig nog in de politiek (en daarmee de maatschappij)?’ In deze voorbeschouwing alvast een beeld van wat we mogelijk kunnen verwachten van ‘oude meesters’ Bas de Gaay Fortman en Eimert van Middelkoop, en ‘jonge honden’ Wassila Hachchi en Jeroen de Lange. Een overzicht van hun achtergronden en hun visies op ontwikkelingssamenwerking.

    Bas de Gaay Fortman

    Emeritus professor Bas de Gaay Fortman heeft een indrukwekkende reputatie op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Hij is al zijn hele leven betrokken bij het onderwerp: als academicus, in de politiek en in het bestuur bij organisaties als SNV en NOVIB. In de jaren zeventig en tachtig was hij voorman van de Politieke Partij Radicalen (PPR) en zat hij voor deze partij (en later voor GroenLinks) in de Eerste en Tweede Kamer. Ook heeft hij op vele plekken lesgegeven op het gebied van de politieke economie. Zo doceerde hij aan de Universiteit van Zambia, als hoogleraar aan het Institute for Social Studies in Den Haag en bekleedde hij tot eind 2010 de leerstoel Mensenrechten aan de Universiteit Utrecht.

    In eerdere interviews met Vice Versa bekritiseerde Bas De Gaay Fortman het Nederlandse beleid met betrekking tot ontwikkelingssamenwerking. ‘Helaas wordt het Nederlandse beleid te veel bepaald door de steeds wisselende bewindslieden op ontwikkelingssamenwerking en wijzigt het daarom steeds van koers.’

    De Gaay Fortman is van mening dat de speerpunten van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid meer gaan over de zelfprofilering van Nederland dan over de ontwikkelingslanden. In het licht van het politieke debat over de toekomst van ontwikkelingssamenwerking verklaarde De Gaay Fortman: ‘Eigenlijk kun je stellen dat ontwikkelingssamenwerking geen rol meer speelt in het huidige debat in Nederland, behalve dan dat het telkens ter discussie wordt gesteld.’

    Eimert van Middelkoop

    De andere ‘oude meester’ van de avond, Eimert van Middelkoop, is politicus van de ChristenUnie. In het kabinet Balkenende IV was hij minister van Defensie en minister voor Wonen, Wijken en Integratie. Daarvoor zat hij in de Eerste en Tweede Kamer. Tevens is Van Middelkoop jarenlang woordvoerder ontwikkelingssamenwerking voor de ChristenUnie geweest.

    Door Van Middelkoop gedane uitspraken over ontwikkelingssamenwerking zijn opmerkelijk genoeg moeilijk te traceren. Wel benadrukte hij als minister van Defensie dat wederopbouw en ontwikkeling moeten worden overgelaten aan hulporganisaties en plaatselijke autoriteiten. Het leger dient zich bij missies zoals die in Uruzgan te beperken tot het brengen van veiligheid, aldus Van Middelkoop. Wat zou zijn visie zijn op de rol van ontwikkelingssamenwerking in de politiek en de maatschappij?

    Wassila Hachchi

    Wassila Hachchi is Tweede Kamerlid en woordvoerder ontwikkelingssamenwerking van D66. Deze ‘jonge hond’ werd in 2007 uitgeroepen tot jonge ambtenaar van het jaar. Hachchi benadrukt dat Nederland niet alleen uit moreel besef aan ontwikkelingssamenwerking moet doen, maar dat het ook in ons eigen belang is. Op haar eigen website schrijft ze: ‘De ontwikkelingssector moet zich blijven aanpassen. En doet dat gelukkig ook. De rol van de overheid en het bedrijfsleven moet veranderen.’ Wachchi erkent dat het huidige kabinet probeert hierop in te spelen, maar is zeer ontevreden met de manier waarop het kabinet dit doet. ‘Zeer onwenselijk’ vindt Wachchi de grove overheidsbezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking. ‘Het kabinet gaat nu voor bezuinigen met de kaasschaaf, terwijl je ook fundamenteel kan hervormen. Dat bespaart geld en is ook nog eens duurzaam voor de lange termijn.

    Wassila Hachchi stelt dat het ontwikkelingsbeleid het meest succesvol zal zijn als de overheid, het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld in balans zijn. Dit kabinet focust te veel op het bedrijfsleven, zo betoogt Hachchi. ‘Hoewel ik denk dat het bedrijfsleven in de lokale private sector een belangrijke rol speelt, laat Knapen de balans los door teveel op het bedrijfsleven te focussen, en dan ook nog eens op het Nederlandse bedrijfsleven. Dan sla je door.’

    Ingrid de Caluwé

    ‘Jonge hond’ Ingrid de Caluwé is sinds afgelopen jaar Tweede Kamerlid van de VVD. Als woordvoerder ontwikkelingssamenwerking van deze partij betoogt ze dat ontwikkelingsorganisaties in de toekomst minder afhankelijk moeten worden van overheidssubsidies. Ze wil dat in een eventueel nieuw MFS organisaties voor minimaal vijftig procent zelf hun broek ophouden buiten de overheidssubsidies om. Bovendien is er volgens De Caluwé decennia lang hulp gepompt in landen zonder aantoonbaar resultaat. De VVD wil met minder geld meer bereiken, stelt ze.

    Speerpunt voor de woordvoerder van de VVD is de rol van de private sector in het ontwikkelingsbeleid. Tijdens het VVD-congres over ontwikkelingssamenwerking in november 2011 bepleitte ze dat ontwikkelingssamenwerking ‘efficiënter en dus goedkoper’ kan door het bedrijfsleven als motor voor ontwikkeling in te zetten. ‘Geen aid maar trade.’ Ze pleit hierbij voor een datingplatform waarin de vraag uit ontwikkelingslanden met het aanbod van Nederlandse bedrijven kan worden gematcht. In een eerder interview met Vice Versa stelde De Caluwé dat niet alleen ontwikkelingslanden beter moeten worden van ontwikkelingssamenwerking: ‘We mogen best onze eigen bedrijven promoten.’

    Jeroen de Lange

    ‘Jonge hond’ en kersverse politicus Jeroen de Lange is de nieuwe woordvoerder internationale samenwerking van de PvdA. Hij is oud Wereldbank econoom en werkte jarenlang in Afrika, onder andere op de Nederlandse ambassades in Rwanda en Uganda. De laatste maanden was hij werkzaam als adviseur van René Grotenhuis bij Cordaid. Bovendien werkte hij mee aan het WRR-rapport ‘Minder pretentie, meer ambitie’  en was hij een van de geestesvaders van het idee van een ‘NL-AID’, om het bilaterale beleid te professionaliseren.

    In een eerder interview met Vice Versa geeft Jeroen de Lange aan dat ‘de eisen en wensen vanuit Den Haag’ niet langer centraal moeten staan in het Nederlandse beleid over ontwikkelingssamenwerking. Er wordt te veel uitgegaan van ‘een beeld van hoe het er ‘in het veld’ aan toe gaat, terwijl de werkelijkheid heel anders is.’ Het ontwikkelingsland zelf moet meer als uitgangspunt genomen worden, aldus De Lange. Bovendien mist hij de inhoudelijke onderbouwing bij de keuzes voor landen en thema’s die de regering maakt in haar beleid. ‘Alles wordt aan elkaar gekauwgomd.’

     

    Het belooft een enerverende avond te worden met deze oude en nieuwe woordvoerders ontwikkelingssamenwerking en hun eigen visies op het onderwerp. De vijfde avond van Oude meesters, jonge honden vindt plaats op maandag 30 januari vanaf 19.30 in het Humanity House in Den Haag. Aanmelden kan via aanmelden@humanityhouse.org ovv Oude meesters, jonge honden. De zaal is open vanaf 19.15 uur.

  • Hoge context, lage context: hoe zit dat? 27 Jan 2012 | 1:00 pm Vice Versa

    In ruim driekwart van de wereld wordt veel informatie vergaard uit de context. Alles is informatie; niet alleen de gesproken woorden. Nederlanders komen uit een lage context cultuur. Ons vallen dergelijke subtiliteitenniet 1-2-3 op, stelt Yvonne van der Pol, en ze doen er hier ook minder toe. Dat maakt dat ons gedrag internationaal wel eens wordt ervaren als dat van een ‘olifant door de porseleinkast’.

    Door Yvonne van der Pol

    Ik blader door oude tijdschriften over ons vakgebied, scan wat, lees wat en gooi het blad dat ik in handen heb al bijna bij het oud papier, als ineens mijn oog op een foto valt. Ik kijk even goed en sla het tijdschrift dicht, maar pak het er na een paar minuten toch weer bij. Waarom blijft mijn oog op deze foto hangen? Wat zie ik hier eigenlijk?

    Vijf mannen in bespreking

    Laat ik proberen het beeld zo goed mogelijk te beschrijven. Vijf mannen zijn met elkaar in gesprek. Ze zitten in een lichte ruimte met op de achtergrond wat boekenkasten en houten tafels met papieren. Uit het artikel leid ik af dat het in Afrika is. Het is vast warm, alle ramen staan wijd open. Uiterst links zit een wat oudere blanke man in een lang Afrikaans gewaad op een stoel. Naast hem zit een Afrikaanse jonge man in smetteloos krijtstreeppak en daarnaast twee ook jong ogende Afrikaanse mannen in een vergelijkbaar gewaad als meneer één op dezelfde houten stoelen. En uiterst rechts een blanke jongeman in spijkerbroek en overhemd: op de grond! Hij zit in kleermakerszit, een voetzool zichtbaar.

    Intrigerende interactie

    De onderlinge interactie tussen de vijf mannen intrigeert me. Wie is wie? Wie heeft/hebben het voor het zeggen?  En waarom zit deze blonde jongeman op de grond? Nota bene pal voor een stoel. De vier mannen kijken omlaag naar hem, hij lijkt aan het woord. Hij zit op het vloerkleed, er liggen nog wat papieren en hij heeft een pen in zijn hand. Heeft het op de grond zitten een functie? Of zit de stoel niet goed en heeft hij misschien last van zijn rug? Of kan ik dit ook anders interpreteren? Ik weet het niet. Maar wat belangrijker is: waarom heeft deze man gekozen voor een positie op de grond voor dit overleg? En hoe werkt die ruimtelijke positionering door in hun interactie?

    Hoge vs lage context communicatie

    Ruimte is een cruciale factor die in het contact met mensen uit andere culturen heel anders beleefd kan worden en (onbewust) voor allerlei ruis in de communicatie kan zorgen. Wie waar zit luistert nauw in hoge context culturen. Nederlanders komen uit een lage context cultuur, ons vallen dergelijke subtiliteiten niet 1-2-3 op en ze doen er hier ook minder toe. Dat maakt dat ons gedrag internationaal wel eens wordt ervaren als dat van een ‘olifant door de porseleinkast’. Al kennen óók wij een tafelschikking bij formele diners en zit bij officiële ontmoetingen de directeur aan het hoofd van de tafel.

    Discongruentie

    In ruim driekwart van de wereld wordt veel informatie vergaard uit de context: wie als eerste plaatsneemt, wie volgt, wie waar gaat zitten, maar ook hoe laat je arriveert, hoe lang je blijft, wat je meeneemt etc etc. Alles is informatie; niet alleen de gesproken woorden. Die informatie uit de context kan zelfs als belangrijker beschouwd worden! Zeker als die contrasteert met de woorden die gesproken worden: bij discongruentie geven de non-verbale signalen de doorslag!

    Communicatieve ruis

    Als je je daar niet van bewust bent en, even gechargeerd gezegd, plompverloren op de grond gaat zitten gewoon omdat jij daar lekker zit, dan doorbreek je zeer waarschijnlijk de sociale conventies. Zichtbare voetzolen kunnen zelfs als neerbuigend en aanstootgevend worden beschouwd. Dat is communicatieve ruis die je zelf kan voorkomen. Juist in de spaarzame momenten dat je samen bent voor overleg met je counterparts, zou het om die belangrijke inhoud moeten gaan waar jij als IS-professional voor staat. Als basis hoort daar sensitiviteit voor non-verbale signalen bij en het vermogen om te reflecteren op je eigen gedrag en het effect daarvan op de interactie. Overigens geldt dat ook buiten werktijden. Dus stel jezelf tijdens je verblijf bij je partnerorganisaties de vraag: hoe zit ik erbij vandaag en communiceert dat een beetje?

     

  • Hoge context, lage context: hoe zit dat? 27 Jan 2012 | 1:00 pm Lokaalmondiaal

    In ruim driekwart van de wereld wordt veel informatie vergaard uit de context. Alles is informatie; niet alleen de gesproken woorden. Nederlanders komen uit een lage context cultuur. Ons vallen dergelijke subtiliteitenniet 1-2-3 op, stelt Yvonne van der Pol, en ze doen er hier ook minder toe. Dat maakt dat ons gedrag internationaal wel eens wordt ervaren als dat van een ‘olifant door de porseleinkast’.

    Door Yvonne van der Pol

    Ik blader door oude tijdschriften over ons vakgebied, scan wat, lees wat en gooi het blad dat ik in handen heb al bijna bij het oud papier, als ineens mijn oog op een foto valt. Ik kijk even goed en sla het tijdschrift dicht, maar pak het er na een paar minuten toch weer bij. Waarom blijft mijn oog op deze foto hangen? Wat zie ik hier eigenlijk?

    Vijf mannen in bespreking

    Laat ik proberen het beeld zo goed mogelijk te beschrijven. Vijf mannen zijn met elkaar in gesprek. Ze zitten in een lichte ruimte met op de achtergrond wat boekenkasten en houten tafels met papieren. Uit het artikel leid ik af dat het in Afrika is. Het is vast warm, alle ramen staan wijd open. Uiterst links zit een wat oudere blanke man in een lang Afrikaans gewaad op een stoel. Naast hem zit een Afrikaanse jonge man in smetteloos krijtstreeppak en daarnaast twee ook jong ogende Afrikaanse mannen in een vergelijkbaar gewaad als meneer één op dezelfde houten stoelen. En uiterst rechts een blanke jongeman in spijkerbroek en overhemd: op de grond! Hij zit in kleermakerszit, een voetzool zichtbaar.

    Intrigerende interactie

    De onderlinge interactie tussen de vijf mannen intrigeert me. Wie is wie? Wie heeft/hebben het voor het zeggen?  En waarom zit deze blonde jongeman op de grond? Nota bene pal voor een stoel. De vier mannen kijken omlaag naar hem, hij lijkt aan het woord. Hij zit op het vloerkleed, er liggen nog wat papieren en hij heeft een pen in zijn hand. Heeft het op de grond zitten een functie? Of zit de stoel niet goed en heeft hij misschien last van zijn rug? Of kan ik dit ook anders interpreteren? Ik weet het niet. Maar wat belangrijker is: waarom heeft deze man gekozen voor een positie op de grond voor dit overleg? En hoe werkt die ruimtelijke positionering door in hun interactie?

    Hoge vs lage context communicatie

    Ruimte is een cruciale factor die in het contact met mensen uit andere culturen heel anders beleefd kan worden en (onbewust) voor allerlei ruis in de communicatie kan zorgen. Wie waar zit luistert nauw in hoge context culturen. Nederlanders komen uit een lage context cultuur, ons vallen dergelijke subtiliteiten niet 1-2-3 op en ze doen er hier ook minder toe. Dat maakt dat ons gedrag internationaal wel eens wordt ervaren als dat van een ‘olifant door de porseleinkast’. Al kennen óók wij een tafelschikking bij formele diners en zit bij officiële ontmoetingen de directeur aan het hoofd van de tafel.

    Discongruentie

    In ruim driekwart van de wereld wordt veel informatie vergaard uit de context: wie als eerste plaatsneemt, wie volgt, wie waar gaat zitten, maar ook hoe laat je arriveert, hoe lang je blijft, wat je meeneemt etc etc. Alles is informatie; niet alleen de gesproken woorden. Die informatie uit de context kan zelfs als belangrijker beschouwd worden! Zeker als die contrasteert met de woorden die gesproken worden: bij discongruentie geven de non-verbale signalen de doorslag!

    Communicatieve ruis

    Als je je daar niet van bewust bent en, even gechargeerd gezegd, plompverloren op de grond gaat zitten gewoon omdat jij daar lekker zit, dan doorbreek je zeer waarschijnlijk de sociale conventies. Zichtbare voetzolen kunnen zelfs als neerbuigend en aanstootgevend worden beschouwd. Dat is communicatieve ruis die je zelf kan voorkomen. Juist in de spaarzame momenten dat je samen bent voor overleg met je counterparts, zou het om die belangrijke inhoud moeten gaan waar jij als IS-professional voor staat. Als basis hoort daar sensitiviteit voor non-verbale signalen bij en het vermogen om te reflecteren op je eigen gedrag en het effect daarvan op de interactie. Overigens geldt dat ook buiten werktijden. Dus stel jezelf tijdens je verblijf bij je partnerorganisaties de vraag: hoe zit ik erbij vandaag en communiceert dat een beetje?

     

  • The Global Journal presenteert: de Top 100 Beste Ngo’s 27 Jan 2012 | 6:00 am Lokaalmondiaal

    Het tijdschrift The Global Journal presenteerde een top honderd van de beste ngo’s – ‘de eerste internationale ranglijst in zijn soort’. Aan de hand van criteria als ‘impact’ en ‘duurzaamheid’ werden duizend ngo’s gekeurd, waarop de beste honderd in een ranglijst werden gezet. Vice Versa bekijkt voor u de ranglijst en belt met de enige als ‘Nederlands’ aangemerkte organisatie op de lijst: Aflatoun.

    ‘The Global Journal is erg blij de Wikimedia Foundation te kunnen feliciteren met het behalen van de eerste plaats in de Top 100’, kondigt The Global Journal haar keuze voor de nummer één op de ranglijst aan. ‘Wikimedia’s meest beroemde initiatief, Wikipedia, heeft de manier waarop de wereld informatie verkrijgt getransformeerd (…).  De website draait volledig op vrijwilligers en heeft zich in snel tempo ontwikkeld tot de grootste collectie van gedeelde kennis in de geschiedenis.’ Als toonaangevend voorbeeld van ‘a great idea well executed’ werd de Wikimedia Foundation daardoor de eerste plaats in de Top 100 toegekend.

    De top tien

    Na de Wikimedia foundation haalden achtereenvolgens de ngo’s Partners in Health, Oxfam, BRAC (Bangladesh Rural Advancement Committee), het International Rescue Committee, PATH (Program for Appropriate Technology in Health), CARE International, Médecins Sans Frontières, Danish Refugee Council en Ushahidi de top tien van de lijst.

    Wat opvalt aan de Top 100 Beste Ngo’s – en wat ook terugkomt in de top tien – is de diversiteit aan organisaties wat betreft hun insteek en doelgroep. Van Land Rights tot Crowdsourcing Software, van informatievrijheid tot gezondheidszorg: alles passeert de revue. Desalniettemin wordt bij verreweg de meeste ngo’s in de ranglijst de Verenigde Staten of het Verenigd Koninkrijk als land van herkomst aangemerkt, al hebben ngo’s als BRAC (uit Bangladesh, op de vierde plaats), Ushahidi (uit Kenia, op de tiende plaats) of Pratham (India, 22ste plaats) ook hun plekje in de lijst veroverd.

    Opstellen van een ranglijst

    Hoe is deze Top 100 tot stand gekomen? Aan welke criteria moesten organisaties voldoen, en hoe werden ze beoordeeld? Volgens de website van The Global Journal is het ranglijsten van een groep organisaties met zulk een grote diversiteit ‘onvermijdelijk subjectief’. Desalniettemin werd er toch gebruik gemaakt van een aantal kwalitatief meetbare criteria. Hieronder vallen: innovatie (creativiteit in programmeren, een vernieuwende aanpak voor een ‘oud’ probleem), effectiviteit (het waarmaken van doelstellingen, en kwaliteit van externe evaluaties), en impact (outcomes verkiezen boven outputs, bredere effecten, donor-gedreven versus behoefte-gedreven aanpak). De overige vijf criteria waren efficiëntie en value for money, transparantie en verantwoording, duurzaamheid, strategisch en financieel management en peer review: de erkenning van de organisatie door andere ngo’s en donors betrokken in de sector.

    The Global Journal: ‘Ondanks dat we specifieke criteria hanteerden om onze keuzes te leiden, is het resultaat moeilijk meetmaar. Want hoe vallen de fundamentele impact op de samenleving van een Wikipedia te vergelijken met de tastbare resultaten van een goed geoliede humanitaire machine?’

    Aan deze ranglijst lag echter nog een andere, meer substantiële vraag ten grondslag: wat is een ngo eigenlijk? De sector definieert zich namelijk door iets wat het niet is, namelijk: niet gouvernementeel. Maar wanneer ben je dan een ngo? The Global Journal zegt zelf ook te hebben geworsteld met deze vraag, en heeft uiteindelijk voor dit project gekozen  voor de volgende definitie: ‘Operational or advocacy focused non-profit organizations organized on a local, national or international level.’ Organisaties die niet gericht zijn op het behalen van winst dus, maar op een lokaal, nationaal of internationaal niveau zich bezighouden met advocacy of concrete projecten. Een definitie waar niet iedereen het mee eens zal zijn, erkent het blad, maar ‘ook niet iedereen zal het überhaupt al eens zijn met het opzetten van een ranglijst.’

    Even bellen met Aflatoun

    De enige organisatie die als ‘Nederlands’ wordt aangemerkt op de lijst, op nummer vijftig, is de ngo Aflatoun. Andere ngo’s die ook in Nederland actief zijn zoals Plan International of  Oxfam kwamen ook op de lijst voor (respectievelijk op plaats 35 en plaats 3), maar worden beiden als organisaties uit het Verenigd Koninkrijk bestempeld. Even bellen met Aflatoun dus, om te vragen hoe zij zich zo op de ranglijst hebben weten te krijgen. ‘Er is een maand geleden contact met ons gezocht door The Global Journal’, legt Aflatoun woordvoerder Simon Bailey uit. ‘We werden verzocht gegevens op te sturen omdat wij één van de organisaties waren die kans maakten op een plaats in de Top 100. Uiteindelijk hoorden we pas op de dag van publicatie [23 januari, red.] dat we op nummer 50 kwamen te staan.’

    ‘We zijn natuurlijk erg vereerd dat we op de ranglijst staan. We zijn een kleine organisatie, maar ons werk wordt blijkbaar toch erkend’, aldus Bailey. In hoeverre de ranglijst nou eigenlijk iets zegt over welke ngo het ‘best’ is, aangezien The Global Journal zelf al erkende dat het maken van zo’n lijst ‘onvermijdelijk subjectief’ is, reageert Bailey: ‘We zien het meer als een erkenning van wat we doen. Bovendien heeft The Global Journal hiermee ook een goede databank opgesteld met informatie over wat verschillende organisaties doen, en waarin ze onderscheidend zijn.’

    Daarbij, betoogt de Aflatoun woordvoerder, is het goed dat de discussie over de ngo-sector eindelijk in een positief licht komt te staan. ‘Er wordt voortdurend benadrukt dat er zoveel organisaties zijn die het slecht doen, of verkwistend met geld of andere middelen omgaan. Deze Top 100 laat zien dat er ook veel organisaties zijn die het hartstikke goed doen.’ En zou Aflatoun volgend jaar op nummer één komen te staan? ‘Dat hopen we natuurlijk wel’, lacht Bailey. Hij gaat op een serieuze toon verder: ‘Om onszelf te verbeteren denk ik dat we ons nog meer zouden moeten richten op samenwerking.’

     

    Klik hier voor de ‘Top 100 Best NGOs’ van The Global Journal, en bekijk ook het interview dat Vice Versa hield met de Aflatoun directeur, Hidde van der Veer.

  • The Global Journal presenteert: de Top 100 Beste Ngo’s 27 Jan 2012 | 6:00 am Vice Versa

    Het tijdschrift The Global Journal presenteerde een top honderd van de beste ngo’s – ‘de eerste internationale ranglijst in zijn soort’. Aan de hand van criteria als ‘impact’ en ‘duurzaamheid’ werden duizend ngo’s gekeurd, waarop de beste honderd in een ranglijst werden gezet. Vice Versa bekijkt voor u de ranglijst en belt met de enige als ‘Nederlands’ aangemerkte organisatie op de lijst: Aflatoun.

    ‘The Global Journal is erg blij de Wikimedia Foundation te kunnen feliciteren met het behalen van de eerste plaats in de Top 100’, kondigt The Global Journal haar keuze voor de nummer één op de ranglijst aan. ‘Wikimedia’s meest beroemde initiatief, Wikipedia, heeft de manier waarop de wereld informatie verkrijgt getransformeerd (…).  De website draait volledig op vrijwilligers en heeft zich in snel tempo ontwikkeld tot de grootste collectie van gedeelde kennis in de geschiedenis.’ Als toonaangevend voorbeeld van ‘a great idea well executed’ werd de Wikimedia Foundation daardoor de eerste plaats in de Top 100 toegekend.

    De top tien

    Na de Wikimedia foundation haalden achtereenvolgens de ngo’s Partners in Health, Oxfam, BRAC (Bangladesh Rural Advancement Committee), het International Rescue Committee, PATH (Program for Appropriate Technology in Health), CARE International, Médecins Sans Frontières, Danish Refugee Council en Ushahidi de top tien van de lijst.

    Wat opvalt aan de Top 100 Beste Ngo’s – en wat ook terugkomt in de top tien – is de diversiteit aan organisaties wat betreft hun insteek en doelgroep. Van Land Rights tot Crowdsourcing Software, van informatievrijheid tot gezondheidszorg: alles passeert de revue. Desalniettemin wordt bij verreweg de meeste ngo’s in de ranglijst de Verenigde Staten of het Verenigd Koninkrijk als land van herkomst aangemerkt, al hebben ngo’s als BRAC (uit Bangladesh, op de vierde plaats), Ushahidi (uit Kenia, op de tiende plaats) of Pratham (India, 22ste plaats) ook hun plekje in de lijst veroverd.

    Opstellen van een ranglijst

    Hoe is deze Top 100 tot stand gekomen? Aan welke criteria moesten organisaties voldoen, en hoe werden ze beoordeeld? Volgens de website van The Global Journal is het ranglijsten van een groep organisaties met zulk een grote diversiteit ‘onvermijdelijk subjectief’. Desalniettemin werd er toch gebruik gemaakt van een aantal kwalitatief meetbare criteria. Hieronder vallen: innovatie (creativiteit in programmeren, een vernieuwende aanpak voor een ‘oud’ probleem), effectiviteit (het waarmaken van doelstellingen, en kwaliteit van externe evaluaties), en impact (outcomes verkiezen boven outputs, bredere effecten, donor-gedreven versus behoefte-gedreven aanpak). De overige vijf criteria waren efficiëntie en value for money, transparantie en verantwoording, duurzaamheid, strategisch en financieel management en peer review: de erkenning van de organisatie door andere ngo’s en donors betrokken in de sector.

    The Global Journal: ‘Ondanks dat we specifieke criteria hanteerden om onze keuzes te leiden, is het resultaat moeilijk meetmaar. Want hoe vallen de fundamentele impact op de samenleving van een Wikipedia te vergelijken met de tastbare resultaten van een goed geoliede humanitaire machine?’

    Aan deze ranglijst lag echter nog een andere, meer substantiële vraag ten grondslag: wat is een ngo eigenlijk? De sector definieert zich namelijk door iets wat het niet is, namelijk: niet gouvernementeel. Maar wanneer ben je dan een ngo? The Global Journal zegt zelf ook te hebben geworsteld met deze vraag, en heeft uiteindelijk voor dit project gekozen  voor de volgende definitie: ‘Operational or advocacy focused non-profit organizations organized on a local, national or international level.’ Organisaties die niet gericht zijn op het behalen van winst dus, maar op een lokaal, nationaal of internationaal niveau zich bezighouden met advocacy of concrete projecten. Een definitie waar niet iedereen het mee eens zal zijn, erkent het blad, maar ‘ook niet iedereen zal het überhaupt al eens zijn met het opzetten van een ranglijst.’

    Even bellen met Aflatoun

    De enige organisatie die als ‘Nederlands’ wordt aangemerkt op de lijst, op nummer vijftig, is de ngo Aflatoun. Andere ngo’s die ook in Nederland actief zijn zoals Plan International of  Oxfam kwamen ook op de lijst voor (respectievelijk op plaats 35 en plaats 3), maar worden beiden als organisaties uit het Verenigd Koninkrijk bestempeld. Even bellen met Aflatoun dus, om te vragen hoe zij zich zo op de ranglijst hebben weten te krijgen. ‘Er is een maand geleden contact met ons gezocht door The Global Journal’, legt Aflatoun woordvoerder Simon Bailey uit. ‘We werden verzocht gegevens op te sturen omdat wij één van de organisaties waren die kans maakten op een plaats in de Top 100. Uiteindelijk hoorden we pas op de dag van publicatie [23 januari, red.] dat we op nummer 50 kwamen te staan.’

    ‘We zijn natuurlijk erg vereerd dat we op de ranglijst staan. We zijn een kleine organisatie, maar ons werk wordt blijkbaar toch erkend’, aldus Bailey. In hoeverre de ranglijst nou eigenlijk iets zegt over welke ngo het ‘best’ is, aangezien The Global Journal zelf al erkende dat het maken van zo’n lijst ‘onvermijdelijk subjectief’ is, reageert Bailey: ‘We zien het meer als een erkenning van wat we doen. Bovendien heeft The Global Journal hiermee ook een goede databank opgesteld met informatie over wat verschillende organisaties doen, en waarin ze onderscheidend zijn.’

    Daarbij, betoogt de Aflatoun woordvoerder, is het goed dat de discussie over de ngo-sector eindelijk in een positief licht komt te staan. ‘Er wordt voortdurend benadrukt dat er zoveel organisaties zijn die het slecht doen, of verkwistend met geld of andere middelen omgaan. Deze Top 100 laat zien dat er ook veel organisaties zijn die het hartstikke goed doen.’ En zou Aflatoun volgend jaar op nummer één komen te staan? ‘Dat hopen we natuurlijk wel’, lacht Bailey. Hij gaat op een serieuze toon verder: ‘Om onszelf te verbeteren denk ik dat we ons nog meer zouden moeten richten op samenwerking.’

     

    Klik hier voor de ‘Top 100 Best NGOs’ van The Global Journal, en bekijk ook het interview dat Vice Versa hield met de Aflatoun directeur, Hidde van der Veer.